Appellante, werkzaam als schoonmaakster, ontving een WIA-uitkering wegens 100% arbeidsongeschiktheid vanaf 15 maart 2015. Na bezwaar van de werkgever werd de arbeidsongeschiktheid herbeoordeeld, waarbij een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts beperkingen vaststelden die leidden tot een nieuwe inschatting van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Het UWV beëindigde daarop de WIA-uitkering per 26 oktober 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, omdat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellante voerde in hoger beroep aan dat onvoldoende rekening was gehouden met haar psychische klachten en dat de beëindiging met terugwerkende kracht in strijd was met het rechtszekerheidsbeginsel.
Het UWV stelde dat de beëindiging niet met terugwerkende kracht was, maar gebaseerd op een afgeronde schatting van de arbeidsongeschiktheid die appellante al kende. De Raad volgde dit standpunt, vernietigde het eerdere besluit tot beëindiging per 26 oktober 2016, maar verklaarde het beroep tegen het latere besluit tot beëindiging per 1 februari 2017 ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.