ECLI:NL:CRVB:2019:4036
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ouderdomspensioen wegens niet duurzaam gescheiden leven
Appellant ontving een ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) als ongehuwde pensioengerechtigde. De Sociale verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen met ingang van 4 juli 2017 naar het gehuwde tarief en vorderde het teveel betaalde bedrag terug, omdat appellant sinds 15 oktober 2016 gehuwd was en niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat niet was voldaan aan het begrip duurzaam gescheiden leven. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij en zijn echtgenote pas vanaf oktober 2017 samen konden wonen, en dat tot die tijd sprake was van duurzaam gescheiden leven.
De Raad verwijst naar vaste rechtspraak en oordeelt dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde, omdat het niet samenwonen werd veroorzaakt door omstandigheden en niet door de wil om niet samen te wonen. Het regelmatig contact en de intentie om samen te leven ondersteunen dit oordeel.
Het hoger beroep wordt verworpen en de herziening van het pensioen en de terugvordering door de Svb worden bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken cassatieberoep instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde en dat de herziening en terugvordering van het ouderdomspensioen door de Sociale verzekeringsbank terecht zijn.