ECLI:NL:CRVB:2019:3927
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening beëindiging ziekengeld wegens geen nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant was werkzaam als kwaliteitsmedewerker en meldde zich in 2011 en 2012 ziek met psychische klachten. Het UWV beëindigde zijn ziekengeld omdat hij geschikt werd geacht voor zijn maatgevende arbeid. Appellant verzocht later om terug te komen op deze besluiten met nieuwe medische informatie, waaronder een WSW-indicatie en rapporten van huisarts en GGZ.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die de eerdere besluiten onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De medische stukken betroffen geen nieuwe feiten over de periode 2011/2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreef het standpunt van het UWV.
De Raad oordeelde dat het verzoek terecht werd afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb Pro en dat het bestreden besluit niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op de beëindiging van het ziekengeld wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.