ECLI:NL:CRVB:2019:3802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling inpassing functie medewerker beleidsuitvoering III bij gemeente
Appellant was werkzaam bij de gemeente in een functie die het college wilde indelen volgens het HR21-systeem. Het college besloot de functie van appellant in te delen in de normfunctie medewerker beleidsuitvoering III, functieschaal 8, waarbij vooral werd gekeken naar de overwegende taken en het beperkte karakter van advisering.
Appellant maakte bezwaar tegen deze indeling en stelde dat zijn adviserende taken een inpassing in medewerker beleidsuitvoering II rechtvaardigden. De bezwarencommissie en het college verklaarden het bezwaar ongegrond. De rechtbank oordeelde dat de inpassing in medewerker beleidsuitvoering III niet onhoudbaar was en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van gelijke gevallen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad benadrukte dat de rechterlijke toetsing terughoudend is en beperkt tot de vraag of de inpassing op voldoende gronden berust. De adviserende taken van appellant zijn beperkt en betreffen vooral concrete casussen met weinig interpretatieruimte. Ook het beroep op gelijke gevallen faalde omdat de feitelijke inhoud van functies per gemeente kan verschillen.
De Raad concludeerde dat het indelingsbesluit op voldoende gronden berust en de terughoudende toetsing kan doorstaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de functie-indeling in medewerker beleidsuitvoering III blijft gehandhaafd.