Appellante, geboren in 1951, ontving op grond van de Wmo 2015 een persoonsgebonden budget (pgb) voor huishoudelijke hulp van vier uur en dertig minuten per week. Het college stelde het tarief vast op €11,40 per uur, gebaseerd op het tarief voor hulp uit het sociale netwerk. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college het tarief voldoende had onderbouwd en dat de zorgverlener tot het sociale netwerk behoorde.
In hoger beroep betoogde appellante dat de tariefstelling onduidelijk was en dat de hulpverlener niet tot haar sociale netwerk behoorde, maar als professional moest worden beschouwd. De Raad oordeelde dat de verordening voldoende concreet is over de tariefdifferentiatie en dat de hulpverlener niet tot het sociale netwerk behoorde, omdat er geen sociale relatie of regelmatige contacten waren.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en stelde vast dat het pgb-tarief moest worden vastgesteld op 75% van het gecontracteerde tarief voor huishoudelijke hulp, zijnde €17,10 per uur. De Raad veroordeelde het college tevens in de proceskosten en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.