ECLI:NL:CRVB:2019:3524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van UWV-besluiten over arbeidsongeschiktheid en geschiktheid voor functies na Ziektewetbeoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, heeft een WIA-uitkering ontvangen wegens arbeidsongeschiktheid. Na een ziekmelding in 2014 en een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waardoor haar ziekengeld werd beëindigd. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en tegen de beëindiging van haar WIA-uitkering.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren. Appellante voerde in hoger beroep onder meer aan dat haar psychische klachten nog in volle omvang aanwezig waren en dat het beginsel van equality of arms was geschonden, en stelde dat de verzekeringsarts onvoldoende had gemotiveerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd was, dat de verzekeringsarts rekening had gehouden met recente psychische behandelingen en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot twijfel. Ook werd het standpunt dat de geselecteerde functies niet passend waren verworpen. Het beroep op het beginsel van equality of arms werd niet gevolgd, en er was geen aanleiding een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken worden bevestigd.