ECLI:NL:CRVB:2019:3487
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van uitspraken inzake weigering en schorsing Ziektewetuitkering ondanks psychische en lichamelijke klachten
Appellant, voormalig medewerker kassen, meldde zich ziek met lichamelijke en psychische klachten en ontving een WW-uitkering. Het Uwv stelde vast dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen en beëindigde zijn Ziektewetuitkering. Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat zijn beperkingen onderschat waren, mede door een ernstige depressie en chronische rugklachten.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen juist waren vastgesteld. Nieuw ingebrachte medische stukken, waaronder een rapport van een verzekeringsarts Hollander, boden onvoldoende motivatie om het oordeel te herzien. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel en het inschakelen van een onafhankelijke deskundige werden verworpen.
De Centrale Raad van Beroep onderschrijft deze overwegingen en bevestigt de aangevallen uitspraken. Er is geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel in de procespositie van appellant. De Raad oordeelt dat het Uwv terecht de Ziektewetuitkering heeft geweigerd en geschorst op grond van de beschikbare medische informatie en wettelijke bevoegdheden.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraken die het Uwv-besluit tot weigering en schorsing van de Ziektewetuitkering handhaven.