ECLI:NL:CRVB:2019:3478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging loonsanctie UWV wegens onvoldoende re-integratieverwijt werkgever
Appellant was sporthalbeheerder en viel op 22 oktober 2013 uit. Na gedeeltelijke hervatting van werkzaamheden werd vastgesteld dat re-integratie bij een andere werkgever noodzakelijk was. Het UWV verlengde de loonbetalingsverplichting met 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever, die bezwaar maakte. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de werkgever niet in redelijkheid kon worden verweten onvoldoende inspanningen te hebben verricht.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de re-integratie te laat was gestart en dat de werkgever onterecht een baangarantie verlangde voor het opleidingstraject. Het UWV en de werkgever steunden de uitspraak van de rechtbank. De Raad concludeerde dat de loonsanctie niet terecht was opgelegd, mede omdat de werkgever tijdens de vakantieperiode geen verwijt treft en de re-integratie-inspanningen adequaat waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees proceskostenveroordeling af. Door het herroepen van de loonsanctie kon de WIA-uitkering van appellant eerder ingaan, wat zijn procesbelang bevestigde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de loonsanctie ten onrechte verlengde en herroept deze.