Uitspraak
18 3548 PW, 18/3549 PW
31 mei 2018, 17/7105 en 17/7106 (aangevallen uitspraak)
PROCESVERLOOP
M.C.T. ter Haar.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand sinds december 2015 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een melding over woonoverlast startte het college een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellant niet op het uitkeringsadres woonde, wat hij niet had gemeld, waardoor hij zijn inlichtingenverplichting schond. Het college trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug. Tevens werd een boete opgelegd wegens deze schending.
De rechtbank oordeelde dat appellant vanwege psychische problemen verminderd verwijtbaar was en stelde de boete lager vast. In hoger beroep betoogde appellant dat hij door zijn psychische gesteldheid niet verwijtbaar was, maar de Raad verwierp dit. Het extreem lage waterverbruik op het uitkeringsadres ondersteunde het oordeel dat appellant daar niet zijn hoofdverblijf had. Dringende redenen om af te zien van terugvordering werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad bevestigde de intrekking en terugvordering van bijstand en de boete van €595,27 als evenredig. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd daarmee bekrachtigd. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en de boete van €595,27 wegens schending van de inlichtingenverplichting.