ECLI:NL:CRVB:2019:3169
Centrale Raad van Beroep
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter omdat deze niet alle middelen had ingezet om te onderzoeken of de advocaat mr. Van Zanten het college mocht vertegenwoordigen. Het verzoek werd echter ruim vijf weken na de zitting van 25 juli 2019 ingediend, terwijl verzoekster toen aanwezig was en geen wrakingsverzoek indiende.
De Raad oordeelde dat verzoekster onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat het wrakingsverzoek niet voldeed aan het vereiste van tijdige indiening zoals gesteld in artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad verwees naar vaste jurisprudentie die stelt dat een wrakingsverzoek direct na bekendwording van de feiten moet worden ingediend.
Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de late indiening konden rechtvaardigen, werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 3 oktober 2019.
Uitkomst: Wrakingsverzoek tegen behandelend rechter niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.