Uitspraak
18.2998 AW
OVERWEGINGEN
(onder 4.2.2.) onderschrijft de Raad deze conclusie niet.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig ambtenaar bij de Belastingdienst, kreeg ontslag wegens ongeschiktheid. Na een mediationtraject sloten partijen een vaststellingsovereenkomst waarbij appellant het ontslag accepteerde en bezwaar introk.
Appellant verzocht later om herziening van de overeenkomst en het ontslagbesluit, stellende dat sprake was van dwaling en nieuwe feiten. De staatssecretaris wees dit af, omdat geen nieuwe feiten of bijzondere omstandigheden waren die nakoming van de overeenkomst in redelijkheid onmogelijk maken.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. De Raad oordeelt dat appellant bewust voor de overeenkomst koos, geen dwaling aannemelijk is, en dat de aangevoerde nieuwe feiten geen nieuwe bewijsmiddelen vormen die niet eerder konden worden aangevoerd.
Ook is geen sprake van evident onredelijkheid van het bestreden besluit. Het hoger beroep wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.