ECLI:NL:CRVB:2019:2962
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezagsverhouding en dienstbetrekking in WW-uitkeringszaak na faillissement BV
Appellanten hebben na het faillissement van de BV betalingsverplichtingen overgenomen op grond van hoofdstuk IV van de WW, stellende dat zij als werknemers in loondienst waren. Het UWV weigerde deze uitkeringen omdat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond, met name vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat het onderzoek van het UWV zorgvuldig was.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat vanaf 16 maart 2015 wel sprake was van een gezagsverhouding en dat het UWV-onderzoek vooringenomen was. Zij stelden dat zij opdrachten en instructies ontvingen van een directeur en dat de arbeidsovereenkomsten wel degelijk bestonden. De Raad toetste deze stellingen aan de hand van de feiten, waaronder het ontbreken van ondertekende arbeidsovereenkomsten, het onderzoek van het UWV en de verklaringen van betrokkenen.
De Raad concludeerde dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij vanaf 16 maart 2015 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stonden, omdat de vereiste gezagsverhouding ontbrak. De feitelijke omstandigheden wezen erop dat appellanten als bestuurders en medeoprichters zelfstandig handelden en niet onder het gezag van de directeur stonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Appellanten hebben geen recht op overneming van betalingsverplichtingen omdat geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond vanaf 16 maart 2015.