ECLI:NL:CRVB:2019:2702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering overname billijke vergoeding door UWV bij faillissement werkgever
Appellante was in dienst bij een werkgever die failliet werd verklaard. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst en kende appellante een billijke vergoeding toe wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Appellante vroeg het UWV om overname van deze vergoeding in het kader van de loongarantieregeling bij faillissement. Het UWV weigerde dit omdat de vergoeding niet aan de a-periode van de Werkloosheidswet (WW) kan worden toegerekend. De rechtbank bevestigde dit standpunt.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de vergoeding wel aan de a-periode toerekenbaar is, omdat het ernstig verwijtbaar handelen tijdens het dienstverband plaatsvond. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de vordering op de werkgever pas met de beschikking van de kantonrechter is ontstaan en pas na de ontbindingsdatum opeisbaar werd. Hierdoor behoort de vergoeding niet tot de a-periode zoals bedoeld in artikel 64 van Pro de WW.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin vergelijkbare vergoedingen ook werden toegerekend aan de periode na het dienstverband. De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de billijke vergoeding niet kan worden overgenomen door het UWV omdat deze niet aan de a-periode van de WW kan worden toegerekend.