Uitspraak
18.914 WMO15
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante, geboren in 1957 en met diverse aandoeningen, ontving op grond van de Wmo 2015 een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Na een verzoek tot verlenging in maart 2017 stelde het college een maatwerkvoorziening vast van 209 uren per jaar, gebaseerd op het KPMG-rapport dat de normtijden voor schoon en leefbaar huis bepaalt.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het KPMG-onderzoek objectief en deugdelijk was en dat het college voldoende rekening had gehouden met haar persoonlijke situatie, waaronder COPD, allergie en de verzorging van de was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat het college onvoldoende uren had toegekend, mede vanwege de grootte van haar woning, het ontbreken van eigen kracht en een sociaal netwerk, en de aanwezigheid van vier honden.
De Raad oordeelt dat het college bevoegd is beleidsregels vast te stellen op basis van objectief onderzoek door onafhankelijke derden, zoals het KPMG-rapport. Het college heeft een zorgvuldig individueel onderzoek gedaan en aanvullende uren toegekend voor medische beperkingen. De aanwezigheid van honden leidt volgens beleid niet tot extra uren. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat meer uren noodzakelijk zijn en bevestigt de aangevallen uitspraak.
Het verzoek om vergoeding van schade wegens het inkopen van extra huishoudelijke hulp wordt afgewezen, en er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de toegekende 130 uur hulp bij het huishouden passend is en wijst het verzoek om schadevergoeding af.