De zaak betreft een hoger beroep tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Venlo tot medeterugvordering van bijstand aan appellant over de periode van 14 oktober 2002 tot en met 31 mei 2012. Het college stelde dat appellant en [A] een gezamenlijke huishouding voerden en dat [A] dit niet had gemeld, waardoor terugvordering gerechtvaardigd was.
De rechtbank had de terugvordering over de periode van 14 oktober 2002 tot 31 december 2006 vernietigd wegens onvoldoende grondslag, maar vanaf 1 januari 2007 gegrond verklaard. De Raad van 11 april 2017 stelde echter dat de gezamenlijke huishouding pas vanaf 1 mei 2010 bestond. De Hoge Raad vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug omdat de Raad niet had vastgesteld of en vanaf wanneer sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf.
De Centrale Raad van Beroep heeft nu vastgesteld dat appellant en [A] vanaf 1 mei 2010 beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning van appellant, op basis van getuigenverklaringen, huiszoekingen en observaties. Voor de periode daarvoor ontbrak voldoende bewijs. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het nadere besluit en draagt het college op een nieuwe berekening te maken voor de periode 1 mei 2010 tot 31 mei 2012.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen, omdat na terugwijzing binnen de termijn uitspraak is gedaan. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.