ECLI:NL:CRVB:2019:2360
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht en verrichten betaalde arbeid
Appellant ontving bijstand en had toestemming om werkervaring op te doen bij een bedrijf, welke toestemming op 25 mei 2016 werd ingetrokken. Naar aanleiding van anonieme meldingen dat appellant zwart zou werken en op een ander adres verbleef, voerde het college een onderzoek uit met dossieronderzoek, internetonderzoek en fysieke waarnemingen.
Het college herzag de bijstand over de periode 1 juni 2015 tot 20 juni 2016, trok de bijstand in per 21 juni 2016 en beëindigde deze per 20 juli 2016. Het college stelde dat appellant de inlichtingenplicht had geschonden door geen duidelijkheid te geven over zijn verblijfplaats en werkzaamheden. Het bezwaar leidde tot een aangepast besluit waarbij de intrekking per 28 juni 2016 werd vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stond alleen de intrekking per 28 juni 2016 centraal. De Raad oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant vanaf die datum op een bestaande werkplek aanwezig was en vermoedelijk betaalde arbeid verrichtte. De enkele ontkenning van appellant was onvoldoende om dit te weerleggen.
De Raad verwierp het verweer dat de waarnemingen onrechtmatig waren verkregen, oordeelde dat de onderzoeksbevoegdheid van het college toereikend was en bevestigde het bestreden besluit. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand per 28 juni 2016 wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.