Appellante, een duurzaam gescheiden alleenstaande ouder zonder aanspraak op de alleenstaande ouderkop (ALO-kop) in het kindgebonden budget, verzocht het college om haar bijstand af te stemmen op haar financiële situatie. Het college wees dit af omdat de ALO-kop als een voorliggende voorziening werd beschouwd en er geen bijzondere omstandigheden waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het ontbreken van de ALO-kop niet leidde tot een onhoudbare financiële situatie. In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de ALO-kop voor appellante geen passende en toereikende voorliggende voorziening is, omdat zij formeel gehuwd was en de ALO-kop daarom niet kon ontvangen.
De Raad benadrukt dat het college op grond van artikel 18, eerste lid, PW gehouden was de bijstand af te stemmen op de feitelijke behoeften van appellante. Het ontbreken van die afstemming maakt het besluit strijdig met de wet. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij de individuele omstandigheden van appellante in acht worden genomen.
Daarnaast veroordeelt de Raad het college in de proceskosten en bepaalt dat alleen bij de Raad beroep kan worden ingesteld tegen de nieuwe beslissing op bezwaar.