ECLI:NL:CRVB:2019:2191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Aanwijzing gehandicaptenparkeerplaats bij woning ten onrechte afgewezen
Appellante, houdster van een gehandicaptenparkeerkaart, vroeg een gehandicaptenparkeerplaats aan naast haar woning. Het college wees deze aanvraag aanvankelijk toe, maar herzag dit na bezwaren van buurtbewoners en een medisch advies, en wees de aanvraag af omdat appellante volgens het college over geschikte parkeermogelijkheden beschikte.
Appellante stelde dat zij vanwege een hellende oprit niet op eigen terrein kan in- en uitstappen en dat zij slechts een aandeel heeft in nabijgelegen privéparkeerplaatsen, waardoor zij niet vrij kan beschikken over een geschikte parkeerplaats. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die concludeerde dat appellante inderdaad niet op haar oprit kan in- en uitstappen vanwege de helling.
De Raad oordeelde dat het college ten onrechte aannam dat appellante vrij kon beschikken over twee nabijgelegen parkeerplaatsen die samengevoegd konden worden tot een geschikte plek. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigde deze uitspraak en het bestreden besluit van het college.
De Raad verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat appellante recht heeft op een gehandicaptenparkeerplaats zoals aanvankelijk toegekend. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De aanvraag van appellante voor een gehandicaptenparkeerplaats wordt alsnog toegewezen en het bestreden besluit vernietigd.