Uitspraak
16.5215 AAW, 16/6163 AAW
OVERWEGINGEN
het verzoek van betrokkene om veroordeling tot vergoeding van schade
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1952, diende op 9 mei 2014 een aanvraag in voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), vanwege ADHD en gedragsproblemen sinds jeugd. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant niet als jonggehandicapte kon worden aangemerkt, aangezien hij meer dan 75% van het wettelijk minimumloon kon verdienen na de wettelijke wachttijd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond en vernietigde het besluit van 23 maart 2015, maar verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van 9 februari 2016 ongegrond. De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling en bevestigde dat appellant niet voldeed aan de criteria voor jonggehandicapten.
Het incidenteel hoger beroep van het UWV over de hoogte van de proceskostenvergoeding slaagde, waarbij de Raad het bedrag corrigeerde van €1.240,- naar €256,- wegens het ontbreken van beroepsmatige rechtsbijstand door de gemachtigde.
Verder oordeelde de Raad dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden met bijna tien maanden, waardoor een schadevergoeding van €1.000,- werd toegekend, verdeeld tussen de Staat (€600,-) en het UWV (€400,-). Het verzoek tot vergoeding van overige schade werd afgewezen.
De Raad veroordeelde zowel de Staat als het UWV in de proceskosten van appellant voor het verzoek tot schadevergoeding, elk voor €128,-.
Uitkomst: De aanvraag voor arbeids- en inkomensondersteuning jonggehandicapten wordt afgewezen, proceskostenvergoeding wordt verlaagd en schadevergoeding wegens termijnoverschrijding toegekend.