ECLI:NL:CRVB:2019:2021
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herstel ingezetenschap en Zvw-premieplicht na onjuiste beoordeling woonplaats AOW-gerechtigde
Appellant, geboren in 1939 en sinds 1972 in Nederland woonachtig, ontvangt een AOW-uitkering. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde in 2016 vast dat appellant in Turkije woonachtig was en stopte de inhouding van de Zorgverzekeringswet (Zvw)-premie. Appellant verzocht om herziening, maar dit werd afgewezen omdat de Svb meende dat appellant geen duurzame band met Nederland had.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Hij stelde dat hij een nauwe persoonlijke band met Nederland heeft, onder meer door langdurig verblijf, inschrijving in de Basisregistratie Personen, het delen van een huishouden met zijn zoon en het wonen van meerdere kinderen en kleinkinderen in Nederland.
De Raad oordeelde dat appellant op de peildata wel degelijk woonachtig was in Nederland en dat de Svb ten onrechte had vastgesteld dat hij niet als ingezetene moest worden aangemerkt. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en het besluit van de Svb herroepen. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de SVB wordt vernietigd en appellant wordt als ingezetene van Nederland erkend vanaf 1 januari 2016.