ECLI:NL:CRVB:2019:2000
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering en terugvordering wegens doorbetaling loon na ontslag
Appellant was als schoonmaker in dienst bij een werkgeefster en werd op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig was geëindigd en dat appellant recht had op doorbetaling van loon over de periode na ontslag. Het Uwv kende appellant een WW-uitkering toe, maar beëindigde deze later wegens het bereiken van de maximale duur. Vervolgens stelde het Uwv vast dat appellant geen recht had op WW-uitkering over de periode dat hij nog in dienst was en vorderde onverschuldigde betalingen terug.
Appellant stelde dat hij feitelijk werkloos was geworden vanaf het ontslag en dat terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen had. Ook voerde hij aan dat de faillissementsuitkering onjuist was vastgesteld en dat het onderscheid in de wet tussen feitelijke en juridische beëindiging van het dienstverband onrechtvaardig was.
De Raad oordeelde dat appellant juridisch nog in dienst was en daarom geen recht had op WW-uitkering over die periode. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel faalde. Ook was er geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De beperking van de faillissementsuitkering tot dertien weken voorafgaand aan het einde van het dienstverband was wettelijk en niet in strijd met het EVRM. De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van WW-uitkering over de periode van doorbetaling loon en wijst het hoger beroep af.