Uitspraak
17.3329 WAO
OVERWEGINGEN
BESLISSING
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, die eerder een WAO-uitkering ontving die in 2002 werd ingetrokken, verzocht in 2016 opnieuw om toekenning van deze uitkering wegens vermeerde klachten. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die aanleiding gaven tot herbeoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad overwoog dat op grond van artikel 4:6 Awb Pro een nieuwe aanvraag moet worden onderbouwd met nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De medische stukken die appellant overlegd had, waren grotendeels al bekend en meegenomen in eerdere beoordelingen. Daarnaast was de termijn voor een Amber-beoordeling verstreken, waardoor deze niet meer aan de orde was.
De Raad concludeerde dat het UWV zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd heeft gehandeld en dat het besluit niet evident onredelijk is. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek om een WAO-uitkering wordt bevestigd.