Appellante, geboren in 1939 en met diverse aandoeningen, ontving een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Het college had aanvankelijk 195 minuten per week toegekend, later verhoogd naar 240 minuten. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten en vorderde een hogere voorziening.
De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, stellende dat het onderzoek en de normtijden van het CIZ-protocol juist waren toegepast. In hoger beroep stelde appellante dat het onderzoek incompleet was en dat de voorziening onvoldoende was, met name omdat geen tijd was berekend voor boodschappen en maaltijden.
De Raad constateerde dat het college per abuis was afgeweken van het CIZ-protocol en dat het onderzoek wel degelijk voldeed aan de eisen van de Wmo 2015. Wel oordeelde de Raad dat vanwege de COPD van appellante extra licht huishoudelijk werk moest worden toegekend, wat niet correct was meegenomen. Dit leidde tot een herziening van de maatwerkvoorziening tot 270 minuten per week vanaf 24 april 2019.
De eerdere besluiten en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De Raad veroordeelde het college tevens in de proceskosten van appellante, die in totaal € 4.352,- bedroegen.