ECLI:NL:CRVB:2019:1439
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over overname niet-genoten vakantie-uren door UWV na faillissement werkgever
Appellante was taxichauffeur bij een werkgever die in mei 2016 failliet werd verklaard. Na beëindiging van haar dienstverband verzocht zij UWV om overname van betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV WW, waaronder vakantiegeld. UWV wees aanvankelijk het verzoek af, maar kende later een faillissementsuitkering toe op basis van 48,50 vakantie-uren.
Appellante stelde dat het aantal overgenomen vakantie-uren onjuist was, omdat er een verschil van 52,93 uren niet was meegenomen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de vordering onvoldoende concreet was en aan gerede twijfel onderhevig.
De Centrale Raad oordeelde dat de vordering van appellante voldoende concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig is, omdat het verschil tussen eindsaldo en beginsaldo op loonstroken niet verantwoord is en appellante de loonstroken niet voor akkoord heeft geparafeerd. De vordering betreffende compensatie-uren werd echter terecht afgewezen wegens gerede twijfel.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, en droeg UWV op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante en werd bepaald dat beroep tegen de nieuwe beslissing slechts bij de Raad kan worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen over de overname van vakantie-uren, waarbij 52,93 niet-genoten uren worden meegenomen.