ECLI:NL:CRVB:2019:1437
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over overname niet-genoten vakantie-uren bij faillissementsuitkering
Appellante was sinds 2009 in dienst bij een werkgever die in mei 2016 failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst verzocht zij het UWV om overname van betalingsverplichtingen op grond van hoofdstuk IV van de WW, waaronder vakantiegeld. Het UWV nam een aantal vakantie-uren over, maar wees een vordering op compensatie-uren af wegens gerede twijfel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat de vordering onvoldoende concreet zou zijn. Appellante stelde in hoger beroep dat de werkgever volgens de CAO verplicht was een administratie bij te houden en dat het aan de werkgever is om te bewijzen dat vakantie-uren daadwerkelijk zijn opgenomen. Het UWV handhaafde haar standpunt.
De Raad oordeelt dat de vordering van 98,11 niet-genoten vakantie-uren voldoende concreet en niet aan gerede twijfel onderhevig is, en dus voor overname in aanmerking komt. De vordering op compensatie-uren is echter terecht afgewezen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het UWV opgedragen opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen over de overname van 98,11 niet-genoten vakantie-uren.