ECLI:NL:CRVB:2019:1370
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.G. Rottier
- A.I. Kris
- S. Wijna
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bezwaar tegen urenberekening faillissementsuitkering chauffeur groepsvervoer
Appellant was werkzaam als chauffeur groepsvervoer bij een werkgever die failliet werd verklaard. Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst vroeg appellant een faillissementsuitkering aan bij het UWV. Het UWV kende een uitkering toe op basis van door de werkgever opgegeven uren, maar appellant maakte bezwaar omdat hij meende dat niet alle gewerkte uren waren meegenomen, met name over februari en maart 2016.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en concludeerde dat de uren die appellant claimde niet voldoende waren onderbouwd en aan gerede twijfel onderhevig waren. Appellant ging in hoger beroep en voerde aan dat onterecht kortingen werden toegepast voor woon-werkverkeer en uren in februari 2016.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd dat de urenberekening onjuist was. De Raad benadrukte dat vorderingen die niet duidelijk en concreet zijn, niet voor overneming door het UWV in aanmerking komen. Ook het beroep op de CAO en de arbeidsovereenkomst bood geen grond om de urenclaim te honoreren. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht uitging van de door de werkgever opgegeven uren bij de berekening van de faillissementsuitkering.