ECLI:NL:CRVB:2019:1368
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit UWV over WW-uitkeringsduur wegens onjuiste SV-dagenregistratie
Appellant had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV uit 2011 waarin zijn WW-uitkeringsduur werd vastgesteld. Het UWV had voor de berekening van de uitkeringsduur uitgegaan van gegevens uit Suwinet, waaruit bleek dat appellant in 2008 over slechts 34 SV-dagen loon had ontvangen. Appellant stelde echter dat hij in 2008 over 60 SV-dagen loon had ontvangen, waarvan 42 bij een werkgever waar de loonadministratie niet meer beschikbaar was.
De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, omdat appellant volgens de rechtbank geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd en zijn stelling onvoldoende had onderbouwd. In hoger beroep stelde appellant dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat zijn stelling onvoldoende was onderbouwd en dat het UWV hem niet juist had geïnformeerd over zijn rechten.
De Raad oordeelde dat het UWV onterecht was uitgegaan van de Suwinetgegevens, die onjuist waren voor het aantal SV-dagen bij de werkgever. Appellant had aannemelijk gemaakt dat hij in 2008 42 SV-dagen bij die werkgever had gewerkt, onderbouwd met loonstroken, een papieren agenda en een plausibele berekening. Het UWV had nagelaten om nadere navraag te doen bij de werkgever.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en droeg het UWV op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij ook het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente in acht moet worden genomen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het UWV wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de juiste SV-dagen en het verzoek om schadevergoeding.