ECLI:NL:CRVB:2019:1189
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verwijtbare werkloosheid na onvoorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim
Appellant was werkzaam als complexbeveiliger bij de Dienst Justitiële Inrichtingen en werd in 2015 ontslagen wegens plichtsverzuim, waaronder veelvuldig internetgebruik tijdens werkuren en het niet melden van schulden. De werkgever legde een onvoorwaardelijk strafontslag op na een disciplinair onderzoek.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die door het Uwv werd geweigerd omdat hij verwijtbaar werkloos was geworden. De rechtbank oordeelde dat het ontslag terecht was en dat de werkgever voortvarend had gehandeld, waardoor de verwijtbare werkloosheid terecht was vastgesteld.
In hoger beroep volstond appellant met een verwijzing naar eerdere gronden, die door de Raad werden onderschreven. De Raad volgde de rechtbank en bevestigde dat het onderscheid tussen objectieve en subjectieve dringendheid niet langer relevant is voor de beoordeling van verwijtbare werkloosheid.
Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na onvoorwaardelijk strafontslag.