ECLI:NL:CRVB:2019:1069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herroeping intrekking en terugvordering gehuwdenbijstand en vernietiging besluit terugvordering
Appellant ontving samen met zijn partner bijstand als gehuwden over de periode van 1 oktober 2005 tot en met 17 november 2007. Het college trok de bijstand over een deel van deze periode in en vorderde de kosten terug wegens niet gemelde inkomsten uit criminele activiteiten. De intrekking en terugvordering werden aan zowel appellant als zijn partner afzonderlijk bekendgemaakt. De partner kreeg later op grond van een tussenuitspraak van de Raad het besluit tot intrekking en terugvordering herroepen, omdat de onderbouwing ontbrak.
Appellant verzocht daarop om herziening van zijn besluiten, maar dit verzoek werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de herroeping van het besluit aan zijn partner een nieuw feit vormde, waardoor ook zijn terugvordering moest worden herroepen.
De Raad oordeelt dat de intrekking van de gezinsbijstand als één besluit geldt dat jegens beide partners werkt, en dat de herroeping daarvan ook voor appellant geldt. Voor de terugvordering geldt dat deze afzonderlijk aan ieder gezinslid wordt opgelegd, maar dat de grondslag voor terugvordering is komen te vervallen door de herroeping van de intrekking. Het college had het verzoek van appellant daarom inhoudelijk moeten beoordelen en de terugvordering moeten intrekken.
De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 3 juni 2015. Het besluit van 28 januari 2010 wordt ingetrokken voor zover het de terugvordering van bijstandskosten aan appellant betreft. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstandskosten aan appellant wordt vernietigd en herroepen wegens vervallen grondslag.