Uitspraak
9 oktober 2013, 13/2336 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 1984 bijstand als alleenstaande. Het college trok bij besluit van 31 januari 2012 het recht op bijstand over de periode 2000-2009 in, omdat appellante een gezamenlijke huishouding zou voeren met Van V., en vorderde de gemaakte kosten terug. Appellante maakte geen bezwaar tegen dit besluit.
Van V. maakte bezwaar tegen de medeterugvordering, dat bezwaar werd gegrond verklaard omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Appellante verzocht daarop het college terug te komen op het intrekkingsbesluit, maar dit verzoek werd afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het besluit van het college om het verzoek af te wijzen onrechtmatig is, omdat het besluit van 22 juni 2012 waarin het bezwaar van Van V. werd gehonoreerd, moet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit. Dit maakt het college niet bevoegd het verzoek af te wijzen. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het college op een nieuw besluit te nemen.
Proceskostenvergoeding wordt toegekend aan appellante. Het geschil is daarmee niet definitief beslecht omdat het college een nieuw besluit moet nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd met opdracht tot een nieuw besluit.