Uitspraak
16.5295 WWB
OVERWEGINGEN
BESLISSING
M. Schoneveld als leden, in tegenwoordigheid van S.A. de Graaff als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 april 2018.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving bijstand en kreeg in 2006 en 2010-2011 meerdere malen een verlaging van zijn bijstandsuitkering wegens vermeende onvoldoende medewerking aan re-integratietrajecten. De rechtbank verklaarde deze besluiten onrechtmatig en vernietigde ze. Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding voor materiële en immateriële schade, waaronder verhuiskosten en psychische klachten.
Het college wees de schadevergoeding af wegens gebrek aan causaal verband en verjaring. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat de vordering over 2006-2007 verjaard is op grond van artikel 3:310 BW Pro. Daarnaast is de verhuizing en de daarmee samenhangende kosten niet direct toe te rekenen aan het college, omdat de verhuizing voortkwam uit de re-integratietrajecten en niet uit de onrechtmatige besluiten zelf.
De Raad oordeelde dat alleen wettelijke rente over de periode van vertraging in betaling verschuldigd is en dat immateriële schade reeds deels is toegekend. Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; schadevergoeding wegens onrechtmatige besluiten 2006-2007 verjaard en verhuiskosten niet aan college toe te rekenen.