ECLI:NL:CRVB:2018:952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw), die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd beëindigd per 1 april 2002 vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding. Na bezwaar en eerdere procedures heeft de Svb het besluit herzien en de beëindiging vastgesteld per 1 april 2005 met terugvordering van te veel ontvangen uitkeringen.
In hoger beroep stond centraal of sprake was van een gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg tussen appellante en [Y] vanaf april 2005. De Raad oordeelde dat de gezamenlijke huishouding niet op 1 april 2005 maar op 25 mei 2005 is aangevangen, gebaseerd op de datum van toestemming tot inwoning en wederzijdse volmachten over bankrekeningen.
De Raad stelde dat de Svb terecht heeft geconcludeerd dat er sprake was van wederzijdse zorg en daarmee gezamenlijke huishouding vanaf medio 2005, maar dat de beëindiging van de uitkering over april en mei 2005 onterecht was. De terugvordering werd vernietigd omdat deze ondeelbaar is en de Svb een nieuwe beslissing moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam en bepaalde dat tegen het nieuwe besluit alleen beroep bij de Raad mogelijk is. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering over april en mei 2005 wordt vernietigd.