ECLI:NL:CRVB:2018:948
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling terugvordering en boete bij onvolledige melding van inkomsten uit stortingen op bankrekening
Appellante ontving bijstand en werd onderzocht vanwege vermoedens van onjuiste inkomstenverklaring, waarbij contante stortingen en bijschrijvingen op haar bankrekeningen werden aangetroffen. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag besloot de bijstand te herzien, terug te vorderen en een boete op te leggen wegens het niet melden van deze inkomsten.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante ongegrond, maar appellante stelde dat zij de stortingen voldoende had verklaard en dat de rechtbank haar zonen als getuigen had moeten horen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het horen van de zonen niet verplicht was en dat de stortingen en bijschrijvingen in principe als inkomsten moeten worden beschouwd tenzij voldoende bewijs wordt geleverd.
De Raad vond dat appellante voor een deel van de stortingen, zoals betalingen voor een gehoorapparaat en terugbetalingen van schulden van haar zoon, voldoende bewijs had geleverd dat het geen inkomsten waren. Hierdoor werd de terugvordering en de boete verlaagd. Tevens werd het college opgedragen een nieuwe berekening te maken voor de brutering. De Raad veroordeelde het college in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De Raad stelt de terugvordering vast op € 3.237,22, verlaagt de boete tot € 292,16, vernietigt de eerdere uitspraak en draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen over de brutering.