ECLI:NL:CRVB:2018:887
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet als alleenstaande ouder en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Naar aanleiding van anonieme tips werd een onderzoek ingesteld waaruit bleek dat appellante en appellant vanaf 1 mei 2015 een gezamenlijke huishouding voerden zonder dit te melden aan het dagelijks bestuur. Hierdoor werd de bijstand vanaf 1 juli 2015 ingetrokken en teruggevorderd over de periode 1 mei tot en met 30 juni 2015.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat er geen sprake was van wederzijdse zorg en dat de zorg tijdelijk was. De Raad oordeelde echter dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding op basis van objectieve criteria, waaronder het gezamenlijk wonen en wederzijdse zorg, waarbij appellante ook voor appellant zorgde.
Verder faalden de bezwaren tegen de terugvordering wegens het ontbreken van dringende redenen. De Raad concludeerde dat appellante als gehuwd moet worden aangemerkt en geen recht had op bijstand als alleenstaande ouder. De aangevallen uitspraken worden bevestigd en verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.