Betrokkene was sinds 10 mei 2010 werkzaam bij de gemeente Rotterdam en viel op 28 oktober 2011 wegens psychische klachten uit. Op eigen verzoek werd hem per 1 januari 2012 eervol ontslag verleend. Het Uwv weigerde vanaf 25 oktober 2013 de WW-uitkering volledig wegens verwijtbare werkloosheid, omdat betrokkene zelf ontslag had genomen zonder noodzaak volgens de werkgever.
De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het Uwv onvoldoende had onderzocht of het niet nakomen van de verplichting tot voorkomen van verwijtbare werkloosheid betrokkene in overwegende mate kon worden verweten. De rechtbank oordeelde dat betrokkene onder grote psychische druk stond door een arbeidsconflict en dat ontslagname niet in overwegende mate aan hem kon worden toegerekend.
Het Uwv stelde het bezwaar daarop opnieuw gegrond en legde een maatregel op van een verlaging van het uitkeringspercentage tot 35% gedurende 26 weken. Appellant, de gemeente Rotterdam, stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, stellende dat hij ten onrechte niet als partij was betrokken en dat het oordeel over de verwijtbaarheid onvoldoende gemotiveerd was.
De Raad oordeelt dat appellant als belanghebbende had moeten worden toegelaten en dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. De Raad bevestigt dat betrokkene verwijtbaar werkloos is, maar dat hem dit niet in overwegende mate kan worden verweten vanwege de psychische klachten en het advies van de behandelend psycholoog. De Raad veroordeelt de Staat tot vergoeding van €500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en het Uwv tot vergoeding van proceskosten van €1002 aan betrokkene.