ECLI:NL:CRVB:2018:672
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontslag op subsidiaire grond wegens verstoorde arbeidsverhouding
Appellant was sinds 1975 in dienst bij de gemeente en werd in 2015 ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsverhouding. Het plichtsverzuim betrof het misbruik van ambtelijke positie en belangenverstrengeling. De rechtbank vernietigde het primaire ontslagbesluit wegens disproportionaliteit, maar oordeelde dat de subsidiaire grond standhield.
Het college stelde incidenteel hoger beroep in tegen het oordeel over de evenredigheid van het ontslag, maar slaagde hier niet in. De Raad oordeelde dat sprake was van een verstoorde arbeidsverhouding op het moment van het ontslagbesluit, waardoor voortzetting van het dienstverband niet redelijk was.
De Raad bevestigde dat het college geen overwegend aandeel had in het ontstaan van de situatie, zodat geen extra compensatie ('plus') werd toegekend. De na-wettelijke uitkering was niet aan de orde vanwege de pensioengerechtigde leeftijd van appellant. Het hoger beroep van appellant tegen het ontslag op subsidiaire grond werd verworpen, waarmee de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het ontslag van appellant op subsidiaire grond wegens verstoorde arbeidsverhouding wordt bevestigd zonder toekenning van een na-wettelijke uitkering of extra compensatie.