ECLI:NL:CRVB:2018:653
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eigen bijdrage Wlz bij vruchtgebruik zonder interingsbevoegdheid
Appellante, verblijvend in een instelling op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), maakte bezwaar tegen de vaststelling van haar eigen bijdrage. Deze bijdrage was door het CAK vastgesteld op basis van haar vermogen, inclusief het vermogen waarop zij vruchtgebruik heeft zonder interingsbevoegdheid.
De rechtbank had het bezwaar ongegrond verklaard en de Raad bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat het Besluit langdurige zorg (Blz) artikel 3.3.1.2, tweede lid, waarin de grondslag sparen en beleggen wordt gehanteerd, niet buiten toepassing hoeft te worden gelaten. Dit is in lijn met het fiscale regime van de Wet inkomstenbelasting 2001 en er zijn geen bijzondere omstandigheden die een afwijking rechtvaardigen.
Ook het beroep op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EP) wordt verworpen, evenals het betoog dat CAK had moeten afzien van invordering van de eigen bijdrage. Ten slotte is het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel ongegrond omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De Raad bevestigt derhalve het bestreden besluit en de vastgestelde eigen bijdrage.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eigen bijdrage inclusief het vermogen waarop vruchtgebruik rust zonder interingsbevoegdheid juist is vastgesteld.