Uitspraak
CAK
OVERWEGINGEN
1 januari 2014 tot en met 17 januari 2014 vastgesteld op de lage eigen bijdrage van € 156,00 per kalendermaand.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verbleef vanaf juli 2013 in een instelling en vanaf september 2013 in een verpleeghuis, waarvoor een indicatie op grond van de AWBZ was verleend. Het CAK stelde de eigen bijdrage vast, aanvankelijk laag en later verhoogd, waarna een aanzienlijke navordering volgde. Appellant maakte bezwaar tegen de hoge bijdrage en de navordering, stellende dat de invordering na lange tijd door nalatigheid van het CAK onredelijk en in strijd met het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het CAK gehouden was de eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien en dat er geen ruimte was voor belangenafweging of kwijtschelding vanwege het dwingendrechtelijke karakter van de regeling. De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad benadrukte dat de wettelijke regeling in de AWBZ, het Bbz en de Brz een dwingend en limitatief kader biedt voor de vaststelling van de inkomensafhankelijke bijdrage. Hierdoor is er geen ruimte voor het CAK of de rechter om af te wijken van de vastgestelde bijdrage of een belangenafweging te maken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eigen bijdrage voor AWBZ-zorg dwingend is vastgesteld en niet gematigd kan worden.