ECLI:NL:CRVB:2018:562
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verplichtingen
Appellant ontving voor 2013 een persoonsgebonden budget (pgb) van €51.703,35 voor AWBZ-zorg. Het Zorgkantoor stelde het pgb bij besluit van 10 januari 2015 op nihil vast en vorderde het bedrag terug wegens niet-naleving van de verplichtingen uit artikel 2.6.9 van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een deel van het pgb wel aan AWBZ-zorg had besteed, dat hij niet volledig verantwoordelijk was voor de gebrekkige verantwoording, mede door taalproblemen en mogelijke fraude door zorgverleners, en dat hij financieel niet in staat was tot terugbetaling.
De Raad oordeelde dat het Zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen. De bescherming van budgethouders tegen fraude speelt in de invorderingsfase, niet in de vaststelling. Appellant had onvoldoende bewijs geleverd dat hij het pgb aan AWBZ-zorg had besteed en was verantwoordelijk voor de verantwoording. Het Zorgkantoor had appellant voldoende geïnformeerd en mocht het pgb op nihil stellen. De financiële situatie van appellant rechtvaardigde geen andere beslissing. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb bevestigd.