ECLI:NL:CRVB:2018:464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- F. Hoogendijk
- W.F. Claessens
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling ingangsdatum gezamenlijke huishouding bij bijstandsverlening
Appellante ontving bijstand sinds 2007 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres, terwijl appellant op een ander adres stond ingeschreven. Na een melding bij het meldpunt ‘Meld misdaad anoniem’ stelde de sociale recherche een onderzoek in, waaruit bleek dat appellanten vermoedelijk vanaf 2 juni 2008 een gezamenlijke huishouding voerden. Het college trok daarop de bijstand in en vorderde kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing ongegrond, maar de Raad vernietigde dit en bepaalde dat de gezamenlijke huishouding niet vanaf 2 juni 2008, maar pas vanaf 1 juli 2010 kon worden vastgesteld. Het college nam daarop een nieuw besluit waarin de bijstand werd ingetrokken vanaf 1 juli 2010.
In hoger beroep betwistten appellanten deze ingangsdatum, maar de Raad oordeelde dat de verklaringen van appellanten zelf, getuigenverklaringen en onderzoeksbevindingen een voldoende grondslag boden voor het standpunt van het college. De Raad bevestigde dat appellanten al vanaf 1 juli 2010 een gezamenlijke huishouding voerden en wees het hoger beroep af.
De Raad benadrukte dat de latere toekenning van bijstand aan appellante betrekking had op een andere periode en niet in strijd was met de vaststelling van de gezamenlijke huishouding vanaf 1 juli 2010. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellanten vanaf 1 juli 2010 een gezamenlijke huishouding voeren en wijst het hoger beroep af.