ECLI:NL:CRVB:2018:4069
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 10 april 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam kende haar deze toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de hoogte van de toeslag van €50,- onvoldoende gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat de toeslag onevenredig was omdat geen differentiatie werd gemaakt naar leefvorm, waardoor bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin was geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm vereist is. Ook was de motivering van de hoogte van de toeslag in de Verordening voldoende. De Raad vond geen aanleiding om anders te oordelen dan in de eerdere zaken en verwierp het hoger beroep.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter G.M.G. Hink op 13 december 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd.