ECLI:NL:CRVB:2018:4065
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellanten hebben een aanvraag ingediend voor een individuele inkomenstoeslag die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog een toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen.
In hoger beroep voerden appellanten aan dat de toeslag bedoeld is om armoede te bestrijden en dat de hoogte van € 50,- onvoldoende gemotiveerd is in relatie tot het armoedebeleid. Tevens stelden zij dat het onredelijk is dat er geen differentiatie is in de toeslag naar leefvorm, waardoor bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte zouden hebben dan alleenstaanden.
De Raad verwijst naar eerdere uitspraken waarin is geoordeeld dat de wetgever geen minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd en geen differentiatie naar leefvorm vereist. De Verordening is gemotiveerd vastgesteld en de keuze voor één toeslag voor alle leefvormen kan de terughoudende toetsing van het algemeen verbindende voorschrift doorstaan. De gronden van appellanten zijn vergelijkbaar met eerdere zaken waarin de Raad reeds heeft geoordeeld dat het beroep ongegrond is.
Daarom wordt het hoger beroep verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.