ECLI:NL:CRVB:2018:389
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens verzwegen aandeel in erfenis en schending inlichtingenverplichting
Appellante ontving bijstand en werd geconfronteerd met intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 20 tot en met 31 januari 2014. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam stelde dat appellante een aandeel had in de nalatenschap van haar in 1998 overleden ouders, waaronder onroerend goed, dat zij niet had gemeld en waarover zij geen inzicht had gegeven. Hierdoor werd haar inlichtingenverplichting geschonden.
De Raad oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder volledige gegevens over het vermogen. Appellante voerde aan dat zij niet tijdig gelegenheid had gekregen om gegevens aan te leveren en dat haar aandeel in de erfenis via haar broer en zoon was geregeld, maar kon dit niet met objectief bewijs onderbouwen.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende inzicht had gegeven in de omvang en waarde van haar aandeel in de erfenis en dat het college terecht de intrekking en de daarop volgende besluiten tot terugvordering en afwijzing handhaafde. Ook een beroep op dringende redenen tegen terugvordering van een voorschot slaagde niet. De beroepen werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen tegen de intrekking en terugvordering van bijstand worden ongegrond verklaard vanwege schending van de inlichtingenverplichting over het aandeel in de erfenis.