ECLI:NL:CRVB:2018:3629
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WAO-uitkering ondanks latere toekenning Wajong-uitkering
Appellante, geboren in 1983, viel in 2001 uit wegens zwangerschaps- en psychische klachten en ontving vanaf 2002 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling beëindigde het UWV deze uitkering per 19 juli 2004 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellante werkte daarna gedeeltelijk, maar meldde zich in 2008 opnieuw ziek. Vanaf 2010 ontving zij een WGA-uitkering, die in 2011 werd omgezet in een loonaanvullingsuitkering.
In 2012 vroeg appellante laattijdig een Wajong-uitkering aan, die aanvankelijk werd afgewezen maar in 2014 alsnog werd toegekend met ingang van 1 augustus 2012. Appellante verzocht het UWV vervolgens om terug te komen op de beëindiging van de WAO-uitkering per 2004, stellende dat de toekenning van de Wajong-uitkering impliceert dat zij vanaf haar achttiende onafgebroken volledig arbeidsongeschikt was.
Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die de eerdere beslissing onjuist maakten. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de Wajong-toekenning niet impliceert dat de arbeidsongeschiktheid ook de tussenliggende periode omvatte. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde vast dat de belastbaarheid van een jonggehandicapte kan wisselen en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die de WAO-beoordeling per 2004 onjuist zouden maken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WAO-uitkering per 19 juli 2004 blijft gehandhaafd.