Uitspraak
16.6824 AWBZ, 16/6825 AWBZ
mr. S. Gezer.
OVERWEGINGEN
– eveneens – vastgesteld op nihil en een bedrag van € 21.577,05 van appellant teruggevorderd.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor op grond van de Regeling subsidies AWBZ. Het zorgkantoor stelde het pgb voor deze jaren echter bij besluiten op nihil vast en vorderde de reeds betaalde bedragen terug, omdat appellant niet aan de verantwoordingsverplichtingen had voldaan.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond, stellende dat het zorgkantoor bevoegd was het pgb lager vast te stellen en terug te vorderen, en dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het pgb rechtmatig was besteed. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij het pgb correct had verantwoord, dat hij erop mocht vertrouwen dat zijn verantwoording zou worden goedgekeurd en dat hij onvoldoende was geïnformeerd over gewijzigde verplichtingen.
De Raad oordeelde dat appellant inderdaad niet aan de verantwoordingsverplichtingen had voldaan en dat het zorgkantoor de bevoegdheid tot verlaging en terugvordering terecht had uitgeoefend met inachtneming van een belangenafweging. De Raad verwierp het betoog van appellant over het vertrouwen op eerdere goedkeuringen, mede omdat eerdere intensieve controles ook tot afkeuring hadden geleid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.