ECLI:NL:CRVB:2018:3386
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.P.M. Zeijen
- S. Wijna
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Beoordeling privaatrechtelijke dienstbetrekking en WW-verzekering bij familierelatie in eenmans-BV
Appellant was vanaf 1 januari 2015 werkzaam als manager operations bij een eenmans-BV, opgericht door zijn vader, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Na faillissement van de B.V. vroeg appellant een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd omdat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.
De rechtbank oordeelde dat de arbeidsverhouding werd overheerst door de familierelatie en dat appellant niet onder omstandigheden werkte zoals een vergelijkbare werknemer zonder familieband zou doen. De kantoorruimte was gevestigd in de huurwoning van appellant, waar ook de administratie was, en er was sprake van wederzijdse afhankelijkheid tussen appellant en zijn vader.
In hoger beroep voerde appellant aan dat wel sprake was van een gezagsverhouding en overhandigde hij huisregels en e-mailcorrespondentie ter onderbouwing. De Raad verwierp dit omdat appellant geen concrete voorbeelden gaf van werkgeversgezag en onvoldoende aannemelijk maakte dat hij onder gezag stond.
De Raad bevestigde dat de formele arbeidsovereenkomst niet doorslaggevend is en dat de feitelijke uitvoering en omstandigheden doorslaggevend zijn. Gezien de bijzondere familierelatie en de situatie van wederzijdse afhankelijkheid was er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking. Daarom was appellant niet verzekerd voor de WW en werd de afwijzing van de uitkering bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond en is daarom niet verzekerd voor de WW; de uitkeringsaanvraag wordt afgewezen.