ECLI:NL:CRVB:2018:3384
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.F. Claessens
- G.M.G. Hink
- P.J. Huisman
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandsrecht en bewijs van financiële situatie in hoger beroep
Appellant heeft meerdere keren een aanvraag voor bijstand ingediend, waarbij het college de aanvraag buiten behandeling stelde en later afwees wegens onduidelijkheid over zijn financiële situatie. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij voldoende informatie had verstrekt over zijn inkomsten en leningen voor levensonderhoud.
De Raad onderscheidde de periode april 2015, waarin appellant onvoldoende concrete informatie gaf over werkzaamheden en inkomsten, en de periode mei tot en met september 2015, waarin appellant wel voldoende duidelijkheid gaf over inkomsten uit onderhuur, leningen en opdrachten. De Raad oordeelde dat de leningen niet als inkomen mogen worden aangemerkt indien zij voldoen aan strikte voorwaarden, maar appellant had niet aannemelijk gemaakt dat de betalingen van V volledig voor levensonderhoud waren bedoeld.
De Raad concludeerde dat het recht op bijstand over de periode mei-september 2015 nihil was vanwege de inkomsten boven de norm. Het college had ten onrechte gesteld dat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld voor deze periode. Desondanks werd de aangevallen uitspraak bevestigd met verbetering van gronden en werd het college veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag wordt afgewezen omdat appellant in de relevante periode inkomsten boven de norm had, waardoor het recht op bijstand nihil is.