Appellante, met fysieke beperkingen en meerderjarige dochters, kreeg van het college huishoudelijke hulp toegekend van 2 uur en 45 minuten per week. Het college baseerde de benodigde tijd op het CIZ-protocol en bracht een korting aan wegens gebruikelijke zorg door een inwonende dochter.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het college niet onzorgvuldig had gehandeld. Appellante stelde in hoger beroep dat het college ondeugdelijk onderzoek had verricht en dat het gebruikte CIZ-protocol verouderd was.
De Raad constateerde dat het college niet handelde volgens de onderzoeksvereisten van artikel 2.3.2 Wmo, maar dat dit gebrek niet leidde tot benadeling omdat medische onderzoeken door de GGD de situatie voldoende inzichtelijk maakten. Het CIZ-protocol werd als passend beoordeeld voor het vaststellen van de hulpbehoefte.
De Raad bevestigde het bestreden besluit met verbeterde motivering en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten aan appellante.