ECLI:NL:CRVB:2018:3043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- K.J. Kraan
- P.J. Stolk
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot behoud volledige bezoldiging na arbeidsongeschiktheid wegens vermeende buitensporige werkomstandigheden afgewezen
Betrokkene was sinds 2004 werkzaam bij de gemeente en ervoer vanaf 2006 een verslechterde werkrelatie met haar leidinggevende, die zij als pesten en intimidatie ervaarde. Na ziekmelding in 2013 werd haar bezoldiging stapsgewijs verlaagd tot 70% vanaf 2015 op grond van de geldende collectieve arbeidsvoorwaardenregeling.
Betrokkene stelde dat haar ziekte het gevolg was van buitensporige werkomstandigheden en diende een klacht in die door de Landelijke Klachtencommissie Ongewenst Gedrag werd beoordeeld als een ongezonde werkverhouding zonder pesten. Het college verklaarde het bezwaar tegen de verlaging van de bezoldiging ongegrond, waarna de rechtbank dit vernietigde en het primaire besluit herroepen.
In hoger beroep betwistte het college het oordeel van de rechtbank en stelde dat de werkomstandigheden niet objectief als buitensporig konden worden aangemerkt. De Raad oordeelde dat hoewel de werkrelatie stroef was en de leidinggevende tekortkomingen vertoonde, de gedragingen binnen de normale taakuitoefening vielen en geen buitensporige omstandigheden vormden.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de verlaging van de bezoldiging naar 70% na twee jaar arbeidsongeschiktheid werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de verlaging van de bezoldiging naar 70% blijft in stand.