ECLI:NL:CRVB:2018:2856
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen weigering uitbreiding huishoudelijke hulp op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling
Appellant, geboren in 1946, heeft een invaliditeitsuitkering op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) vanwege psychische oorlogsletsel. Hij verzocht om een uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp, welke door verweerder werd geweigerd omdat uit medische adviezen bleek dat hij in staat is lichte huishoudelijke werkzaamheden te verrichten.
De Raad heeft het standpunt van verweerder onderschreven, waarbij de medische adviezen van twee geneeskundig adviseurs geen aanwijzingen gaven voor een medische noodzaak van meer dan een dagdeel huishoudelijke hulp. Extra kosten door incontinentie kunnen apart worden gedeclareerd op grond van een eerdere vergoeding.
Het beroep op het 70+-beleid, dat causaliteitsvereisten versoepelt voor bepaalde voorzieningen, is niet van toepassing op de AOR. Tevens is het vaststellen van het uurtarief op basis van lokale valuta en gebruikelijke tarieven in Thailand niet onjuist en vormt dit geen verboden onderscheid.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit in stand kan blijven en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering uitbreiding huishoudelijke hulp blijft in stand.